Hersentumor

Doneer nu!
Beelden van enkele verschillende gliomen zoals ze er na kleuring onder de microscoop uit zien.

Beelden van enkele verschillende gliomen zoals ze er na kleuring onder de microscoop uit zien.

Gliomen

De steuncellen die het zenuwweefsel voeden, beschermen, isoleren, en op hun plek houden, heten glia-cellen. De tumoren die uit deze steuncellen voortkomen heten gliomen. Per jaar wordt in Nederland bij iets meer dan 1.000 mensen een glioom geconstateerd. Dit is meer dan de helft van het totaal aantal primaire hersentumoren.

Onder de microcoop zijn meerdere soorten glia-cellen te onderscheiden:

  • Astrocyten
  • Oligodendrocyten
  • Ependymcellen
  • Microglia

Uit ieder celtype kan een glioom ontstaan; vaak kan de patholoog nog onderscheiden uit welke gliacel de tumor is ontstaan.

Astrocyten zijn kleine stervormige cellen (het Latijnse woord aster betekent ster). De meeste gliomen ontstaan uit astrocyten en heten astrocytomen. Een kleiner deel van de gliomen ontstaan uit oligodendrocyten, de cellen die de ‘isoleerlaag’ rond zenuwbanen vormen; deze tumoren worden oligodendrogliomen genoemd. Een tumor met een combinatie van beide soorten cellen heet meng-glioom of oligo-astrocytoom.

Ependymomen komen voort uit de ependymcellen, de cellen die de wand van de hersenkamers bekleden. Ze komen dan ook vooral in en bij de hersenkamers voor.

Kwaadaardigheid en graad van een tumor

De kwaadaardigheid van de tumor valt te beoordelen aan de hand van een aantal kenmerken: Hoeveel cellen delen zich? Hoeveel bloedvaten zitten er in de tumor en hoe zien die bloedvaten eruit (grillig of normaal)? Zitten er veel afgestorven cellen in de tumor? Welke soort gliacellen overheerst? Op basis van deze kenmerken kunnen gliomen worden ingedeeld in:

  • laaggradige tumoren (graad 1 en 2)
  • hooggradige tumoren (graad 3 en 4)

‘Laaggradig’ en ‘hooggradig’ staan niet gelijk aan ‘goedaardig’ en ‘kwaadaardig’. Van de gliomen zijn alleen de graad 1 tumoren, het pilocytair en pilomyxoid astrocytoom, echt goedaardig: deze tumoren groeien plaatselijk en zijn met een volledige operatie vaak te genezen. De andere gliomen (graad 2, 3 en 4) gedragen zich uiteindelijk kwaadaardig – hoe hoger de graad, hoe kwaadaardiger – en komen vrijwel altijd terug. Daarbij krijgen graad 2 en 3 tumoren tijdens hun ontwikkeling uiteindelijk meestal een hogere graad. Het glioblastoma multiforme, kortweg GBM of glioblastoom, is de meest kwaadaardige en helaas ook de meest voorkomende vorm.

Wanneer bij een hersentumor gesproken wordt van kwaadaardigheid, dient men zich te realiseren dat dit een ander soort kwaadaardigheid is dan wordt bedoeld bij andere soorten kanker in het lichaam: een glioom zaait vrijwel nooit uit buiten het zenuwstelsel, maar groeit diffuus in het omliggende hersenweefsel in. De kwaadaardigheid zit hem in het feit dat een glioom bijna altijd weer terugkomt (een hele enkele uitzondering daargelaten).

De wereldgezondheidsorganisatie (WHO) gebruikt de volgende indeling van gliomen:

WHO-IndelingType
Graad 1:Pilocytair astrocytoom
Pilomyxoid astrocytoom
Graad 2:Diffuus laaggradig astrocytoom
Diffuus laaggradig oligodendroglioom
Diffuus laaggradig oligo-astrocytoom (meng-glioom)
Graad 3:Anaplastisch astrocytoom
Anaplastisch oligodendroglioom
Anaplastisch oligo-astrocytoom (meng-glioom)
Gliomatosis cerebri
Graad 4:Glioblastoma multiforme (GBM)
varianten: kleincellig GBM, gliosarcoom

Bron: WHO = World Health Organization / Wereldgezondheidsorganisatie

Soorten gliomen en moleculaire veranderingen

De gradering van een glioom zegt niet altijd alles over hoe een tumor zich ontwikkelt bij een individuele patiënt. Dat betekent dat een tumor met een hogere graad soms minder snel terug komt dan je op grond van het microscopisch beeld zou verwachten.

Het type glioom is van belang: zo hebben de pure oligodendrogliomen over het algemeen een gunstiger prognose dan de astrocytomen. Oligodendrogliomen zijn meestal gevoeliger voor behandelingen zoals chemotherapie dan astrocytomen. Meng-gliomen hebben een prognose en gevoeligheid voor behandeling die tussen het astrocytoom en het oligodendroglioom in zit.

De laatste jaren wordt steeds duidelijker dat niet alleen het type glioom (celtype) van belang is. Ook de moleculaire kenmerken van de tumor zeggen veel over de prognose. Met ‘moleculaire kenmerken’ worden de eigenschappen van het tumorweefsel en van het DNA (erfelijk materiaal) van de tumor bedoeld. Soms zeggen deze kenmerken ook iets over de gevoeligheid voor therapie.

Enkele belangrijke moleculaire kenmerken (‘markers’) van gliomen zijn:

  • De 1p/19q-codeletie is een kenmerk dat vooral bij oligodendrogliomen en menggliomen (graad 2 en 3) voorkomt. Iedere menselijke cel bevat 23 paar chromosomen, die genummerd zijn van 1 tot en met 22, plus 1 paar geslachtschromosomen (X en Y). Ieder chromosoom bevat 2 korte armen (p-armen) en 2 lange armen (q-armen). Indien er bij het chromosomaal onderzoek van een glioom sprake is van verlies van de korte arm van chromosoom 1 (1p) en de lange arm van chromosoom 19 (19q) is het voor de prognose gunstig. Patiënten met een 1p/19q-codeletie hebben dus een betere prognose dan andere glioom-patiënten en zijn bovendien vaak gevoeliger voor behandelingen, vooral voor chemotherapie.
  • De MGMT-methylatie is een eigenschap die iets zegt over de prognose van glioblastomen (graad 4) en over de gevoeligheid voor chemotherapie.  MGMT staat voor O-6-methylguanine-DNA-methyltransferase. Een afwijkende MGMT-status is gunstig omdat normaal MGMT de gevoeligheid voor chemotherapie vermindert.
  • IDH1 en IDH2 (isocitraat dehydrogenase 1 en 2) zeggen iets over de prognose van verschillende graden gliomen.

Deze ‘markers’ zijn vooral van belang als ze iets zeggen over de gevoeligheid van de tumor voor behandeling; het kijken naar de marker kan dan helpen in de keuze van de behandeling.

Lees meer over de verschillende soorten gliomen:

Anaplastisch glioom (graad 3)

Anaplastisch glioom (graad 3)

Symptomen

Evenals laaggradige gliomen kunnen anaplastische gliomen zich presenteren met epileptische aanvallen of gedragsveranderingen. Uitvalsverschijnselen staan echter meer op de voorgrond door de meer agressieve groei.

  • Verlammingsverschijnselen, in het bijzonder zwakte van een lichaamshelft
  • Problemen van de spraak en taal: het articuleren of het vinden van de woorden
  • Stoornissen van het gezichtsvermogen, in het bijzonder uitval van een helft van het gezichtsveld: botsen tegen de deurpost, verwaarlozing van een helft van het lichaam
  • Veranderingen in het denken, onthouden en gedrag
  • Hoofdpijn, misselijkheid en braken
  • Gevoelsuitval

Diagnose

Een anaplastisch glioom (graad 3) groeit onbehandeld vaak snel door in het omliggende hersenweefsel; de ziektegeschiedenis is daarom meestal relatief kort. De meeste patiënten zijn tussen de 30 en 50 jaar oud, iets vaker mannen dan vrouwen. Een MRI toont meestal een grillige, slecht begrensde tumor die met contrast kan aankleuren. De diagnose moet gesteld worden door onderzoek van het weefsel. Bij weefselonderzoek kan ook het type glioom worden vastgesteld:

  • Anaplastisch astrocytoom
  • Anaplastisch oligodendroglioom
  • Anaplastisch oligo-astrocytoom (meng-glioom)

Net als bij de laaggradige gliomen, hebben de oligodendrogliomen gemiddeld een betere prognose dan de astrocytomen. De prognose van de oligo-astrocytomen (meng-gliomen) zit hier tussenin. Voor de prognose zijn ook de moleculaire kenmerken van belang, zoals de 1p/19q-codeletie (zie Soorten gliomen en moleculaire veranderingen).

Behandeling

De behandeling hangt vooral af van de algemene conditie van de patiënt, de omvang van de tumor en de plaats in de hersenen. De behandeling begint in het algemeen met een operatie: indien mogelijk wordt zoveel mogelijk tumorweefsel weggehaald. Als dit niet mogelijk is, volgt in ieder geval een biopt om de diagnose zeker te stellen.

Operatie alleen is zelden voldoende bij een anaplastisch glioom. De nabehandeling kan bestaan uit:

  • Radiotherapie
  • Chemotherapie, zoals temozolomide of PCV-combinatietherapie.
  • Radiotherapie in combinatie met temozolomide chemotherapie
  • Radiotherapie, gevolgd door PCV chemotherapie (vooral bij oligodendrogliomen met een 1p/19q-codeletie)

Er is geen standaardbehandeling als de tumor terugkomt. Opnieuw zal worden bekeken wat mogelijk is. Alle bovengenoemde behandelingen kunnen hierbij weer overwogen worden. Bovendien zijn er meerdere experimentele behandelingen die in studieverband worden gegeven.