Hersentumor

Doneer nu!

Veelgebruikte medicijnen

Patiënten met hersentumoren gebruiken vaak meerdere medicijnen. Dit gaat om medicijnen tegen de hersentumor zelf, zoals chemotherapie, of medicijnen tegen vocht rond de tumor (dexamethason). Daarnaast gaat het om medicijnen tegen de verschillende symptomen: medicatie tegen epilepsie, pijn of onrust. De middelen komen hier kort aan bod. Let op: Voorschrijven van medicatie is altijd maatwerk; een arts bepaalt, in overleg met de patiënt, de keuze voor een middel en dosis.

NaamWerkzame stof Toediening 
Amitriptyline1amitriptylinetablet 1-3 x daags 10-50 mg
Carbamazepine2carbamazepinetablet 1-3 x daags 100-400 mg
CCNU9lomustinecapsules 40 mg
Clobazam2clobazamtablet 10-20 mg
Cotrimoxazol12trimethoprim/ sulfomethoxazoltablet 400/80 – 800/160 mg
Decadron3dexamethasoninjectie 4 mg/ml
Dexamethason3dexamethasontablet, capsule 2-4 x per dag 0,5/1,5 – 4 mg
Depakine2valproïnezuurtablet/siroop 900-2500 mg per dag
Diazepam2,4diazepamtablet/rectiole/injectie 3-4 x per dag 2-10 mg
Diphantoïne2fenytoïnetablet 25-100 mg
Dormicum2midazolamneusspray 2,5 mg per dosis
Duphalac6lactulosestroop/poeder 30 ml per dag
Durogesic7fentanylpleister 12, 25,100
Dytenzide11triamtereen-hydrochloorthiazidetablet 50/25 mg
Frisium2clobazamtablet 10-20 mg
Haldol4haloperidoltablet, druppels, injectie
Keppra2levetiracetamtablet 500-4000 mg per dag
Lactulose6lactulosestroop/poeder 30 ml per dag
Levetiracetam2levetiracetamtablet 500-4000 mg per dag
Losec8omeprazolcapsule 10-20-40 mg
Midazolam2midazolamneusspray 2,5 mg per dosis
Motilium10domperidontablet, suspensie, zetpil 10-60 mg
MS-Contin7morfinetablet met gereguleerde afgifte, 10-200 mg
Natriumvalproaat2valproïnezuurtablet 900-2500 mg per dag
Natulan9procarbazinecapsule 50 mg
Oradexon3dexamethasontablet 1,5 mg, injectie
Oxazepam4oxazepamtablet 10-50 mg
Oxycontin7oxycodontablet 5-180 mg, 2x per dag
Oxynorm7oxycodoncapsule, drank, tablet 5-10-20 mg, tot 6x per dag
Pantozol8pantoprazoltablet 40 mg
Paracetamol7paracetamoltablet 500 mg
Primperan10metoclopramidetablet, zetpil, drank, injectie 10-20 mg
Rivotril2clonazepamtablet 3-4 x daags 1-2 mg
Seresta4oxazepamtablet 10-50 mg
Seroxat1paroxetinetablet 20 mg
Sevredol7morfinetablet 10-20 rng (kortwerkend)
Stesolid2,4diazepamtablet/rectiole 3-4 x per dag 2-10 mg
Tamoxifen3,9tamoxifentablet 10-20-30-40 mg
Tegretol2carbamazepinetablet 1-3 x daags 100-400 mg
Temodal9temozolomidecapsule 5-20-100-250 mg
Thalidomide9thalidomidetablet 100 mg
Tramal7tramadolcapsule, zetpil, injectie 50-200 mg
Tryptizol1amitriptylinetablet 1-3 x daags 10-50 mg
Valium2,4diazepamtablet/rectiole 3-4 x per dag 2-10 mg
Valproïnezuur FNA2valproïnezuurzetpil 900-2500 mg per dag
Vincristine9vincristineinjectie
Xanax5alprazolamtablet 1 mg
X-Praep6sennosidenstroop
Zantac8ranitidinetablet 75 mg
Zofran10ondansetrontablet, zetpil, injectie 2-16 mg
1. antidepressivum; 2. anti-epilepticum; 3. hormoon; 4. anxiolyticum, benzodiazepine; 5. antipsychoticum; 6. laxans; 7. analgeticum; 8. maagslijmvliesbeschermer; 9. oncolyticum, chemotherapeuticum; 10. antimeticum; 11. antidiureticum; 12. antibioticum.

 

Antiepileptica

Anti-epileptica

Patiënten met een glioom of een andere hersentumor hebben vaak epilepsie; dit geldt vooral voor patiënten met een laaggradig glioom. De neuroloog zal na het stellen van de diagnose epilepsie overgaan tot het voorschrijven van een anti-epilepticum. Tegenwoordig worden deze medicijnen niet meer profylactisch (uit voorzorg) voorgeschreven als er nog geen epileptische aanvallen zijn opgetreden, maar alleen in geval van het optreden van epileptische aanvallen.

Er zijn vele anti-epileptica beschikbaar. De meeste gebruikte zijn: natriumvalproaat (Depakine), carbamazepine (Tegretol), fenytoine (Diphantoine), oxcarbazepine (Trileptal), levetiracetam (Keppra) en lamotrigine (Lamictal). In het algemeen wordt er begonnen met één medicijn, en wordt het effect geëvalueerd. Het is de bedoeling dat de epilepsie wordt onderdrukt, en er geen hinderlijke bijwerkingen ontstaan bij de gebruikte dosering. Niet iedereen reageert hetzelfde op een medicijn. Zo heeft de één last van hinderlijke bijwerkingen bij slechts lage dosering, terwijl de ander hoge doseringen probleemloos gebruikt. Ook is het niet zo dat de epileptische aanvallen altijd kunnen worden onderdrukt; bij laaggradige gliomen wordt slechts de helft van de patiënten aanvalsvrij met medicijnen. Als het met eerste medicijn niet lukt, wordt vaak een tweede erbij geprobeerd. Als het dan lukt om de aanvallen te onderdrukken, wordt vaak het eerste medicijn afgebouwd. Soms hebben patiënten meerdere soorten anti-epileptica nodig. De behandeling van de tumor zelf (met operatie, radiotherapie en/of chemotherapie) kan ook een gunstig effect hebben op de aanvalsfrequentie. Dit geldt zeker indien bij operatie, naast de tumor zelf, ook het hersengebied waaruit de epilepsie ontstaat (de epileptogene zone) veilig kan worden verwijderd.

De anti-epileptica hebben allemaal hun eigen bijwerkingen, die vermeld staan in de bijsluiter. Soms kunnen deze als zeer hinderlijk worden ervaren: bijvoorbeeld haaruitval en gewichtstoename bij gebruik van natriumvalproaat (Depakine), wazig zien en instabiliteit bij gebruik van carbamazepine (Tegretol), prikkelbaarheid bij levetiracetam (Keppra). Bespreek altijd met uw arts wat u aan bijwerkingen merkt: dosisaanpassing of verandering van medicijn zijn wellicht nodig. Voor patiënt en arts is het als het ware laveren tussen positief effect (voorkomen van epileptische aanvallen wat de kwaliteit van leven gunstig beïnvloedt) en negatief effect (bijwerkingen die de kwaliteit van leven ongunstig beïnvloedt).

Bovengenoemde medicijnen zijn bedoeld om het ontstaan van aanvallen te voorkómen. Daarnaast bestaan er medicijnen die een aanval kunnen onderdrukken of doen ophouden, nadat de aanval al begonnen is. Voorbeelden hiervan zijn diazepam (Stesolid, rectiole voor rectale toepassing), clonazepam (Rivotril, druppels voor in de mondholte) en midazolam (Dormicum, neusspray).

Vele anti-epileptica hebben interacties met andere medicijnen. Dit betekent dat de medicijnen elkaars werking kunnen beïnvloeden; het ene medicijn zorgt ervoor dat het andere medicijn minder goed werkt, of juist extra sterk werkt. Bespreek  altijd met uw arts de eventuele interactie van anti-epileptica met medicijnen die u al gebruikte.