Hersentumor

Doneer nu!

Laaggradige gliomen

Tumoren afkomstig van het steunweefsel van de hersenen noemen we gliomen. Er bestaan diverse soorten gliomen die traag groeien, deze noemen we laaggradig. Laaggradige gliomen kunnen overal voorkomen in de hersenen. Bij kinderen treedt deze tumor vaker op in de kleine hersenen en ook in het beloop van de oogzenuw. Soms treden uitzaaiingen van deze tumoren op.

Als het enigszins mogelijk is zal een operatie plaatsvinden om de tumor te verwijderen. Soms blijft een kleine rest achter. Deze hoeft niet altijd te worden verwijderd: er wordt dan vaak een afwachtend beleid gevoerd. Met regelmatige MRI onderzoeken kan controle van het tumorgebied worden uitgevoerd.

Als verwijdering van de tumor niet (geheel) mogelijk is wordt aanvullende behandeling gegeven bij  progressie en / of klachten van de tumor. De keuze van deze behandeling hangt af van de leeftijd: bij jonge kinderen wordt langdurige chemotherapie toegepast. Tegenwoordig bestaat deze chemotherapie veelal uit carboplatin en vincristine. Bij voortgaande therapie wordt ook wel gebruik gemaakt van vinblastine en andere middelen. Bij oudere kinderen wordt radiotherapie overwogen.

Bij een klein deel van de kinderen is sprake van een laaggradig glioom in of rondom de hersenstam.  Als dit op de MRI beelden het geval lijkt te zijn wordt meestal een operatie verricht om een stukje weefsel (biopt) weg te nemen of zo veel mogelijk tumorweefsel te verwijderen. Het is afhankelijk van de weefseluitslag van de neuropatholoog of alsnog chemotherapie en / of radiotherapie nodig is.

Een laaggradig glioom in de kleine hersenen is bij kinderen meestal een pilocytair astrocytoom WHO graad I). Dit is een laaggradige tumor, die meestal chirurgisch verwijderd kan worden. Indien een rest na de operatie achterblijft, wordt afgewacht of deze stabiel blijft. Bij groei of klachten kan een herhaalde operatie worden overwogen. De noodzaak tot aanvullende therapie is hoogst uitzonderlijk.

Opticusglioom

In het verloop van de oogzenuwbanen kunnen tumoren voorkomen op een of meerdere plaatsen. Er is dan sprake van problemen met het zien ofwel hormonale stoornissen doordat de tumor de hypofyse samendrukt. Bij jongere kinderen met een zeer groot opticusglioom bestaan soms problemen met de voeding en de groei, zodat het kind altijd zwak en mager is. Dit wordt het diencephaal syndroom genoemd en is moeilijker te behandelen.

Soms zijn deze tumoren een uiting van een syndroom, neurofibromatosis I, waarbij op meerdere plaatsen in het zenuwstelsel tumoren kunnen optreden. Een consult bij de klinicus geneticus voor nader onderzoek en erfelijkheidsadvies is wenselijk. Het opticusglioom kan ook spontaan ontstaan zonder dat er sprake is van een syndroom.

De keuze van therapie is afhankelijk van eventuele problemen met het gezichtsvermogen van een kind en de mate van groei van de tumor. Soms wordt gewacht met start van de behandeling, terwijl bij groei van de tumor (progressie) of vermindering van het gezichtsvermogen meestal chemotherapie en soms radiotherapie wordt gegeven.

Bij neurofibromatosis II worden vaker tumoren van de gehoorzenuw, de nervus acousticus, gezien, waarbij meestal ook gehoorsproblemen optreden.